De Kikker |
|
| Zwemmen | |
| Padden en kikkers voelen zich goed thuis in het
water. Het zijn uitstekende zwemmers.
|
|
| Springen | |
| Kikkers hebben allemaal lange achterpoten. Met een flinke trap kunnen ze heel ver springen. De boomkikker heeft zuignappen onder zijn poten. Daarmee kan hij zivh stevig vastklampen aan boomtakken.
|
|
| Rusten | |
| Kikkers rusten niet graag in de volle zon. Als er nergens schaduw is, graven ze een holletje en verschuilen ze zich in de modder om te slapen.
|
|
| Verstoppertje | |
| De huid van sommige kikkers kan van kleur
veranderen. Soms is ze donker, soms licht. De huid van een pad is bedekt met kleine wratten. Dat schrikt veel andere dieren af. Zo kunnen ze zich beschermen.
|
|
| Kwaken | |
| De mannetjeskikker zet een dikke keel op. Door zijn keel te laten trillen, veroorzaakt hij een kwaak-geluid. Zo roept hij om een vriendinnetje.
|
|