logo indianen website

Indianen



De Indianen van Noord-Amerika

De Indianen van het verre noorden

Het verre noorden omvat een groot deel van het huidige Canada. Het is het land van naaldbomen, sneeuwstormen, rivieren en meren. Het groeiseizoen is hier voor de Indianen te kort voor landbouw. De Indianen in dit gebied leven voornamelijk van de jacht en visvangst.

Bijna al hun gebruiksvoorwerpen maken zij van hout. Huizen, wigwams, maken zij van een houten geraamte bedekt met berkenbast, takken of huiden. Ook bewonen zij kegelvormige tipi's bedekt met berkenbast.

In de zomer trekken deze Indianen rond in kano's, in de winter in sleeën of op sneeuwschoenen.

Na de komst van de Fransen in hun gebied veranderen deze Indianen in pelsjagers. In ruil voor bont krijgen zij Europese goederen als geweren, vallen en kleding. Nog steeds leven veel Indianen in dit gebied van de bonthandel.

Voor deze Indianen zijn de acties in de steden in Europa en Amerika tegen het dragen van bont een ondermijning van hun levenswijze.

De Indianen van het oosten

In de wouden van het oosten van Noord-Amerika is het leven van de Indianen tot de komst van de Europeanen een leven in overvloed. Zelden is er honger. De combinatie van jacht, visvangst en landbouw zorgt voor veel vrije tijd.

Deze tijd biedt ruimte voor rituelen en oorlog. Oorlog was heel belangrijk voor deze Indianen. Als de Amerikaanse overheid de Cherokees in het zuid-oosten vrede wil laten sluiten met een bepaalde stam, antwoorden zij dat ze dan oorlog moeten voeren met een andere stam omdat ze anders niet weten wat ze met hun leven moeten doen.

Dit gebied strekt zich uit van de grens van Canada m het noorden tot en met Florida m het zuiden en van de kust in het oosten van Amerika tot de Mississippi in het westen.

In het noordoosten sticht Hiawatta, de leider van de Mohawk, de liga (of het verbond) van de Irokezen. Irokees is een taalgroep waar een aantal stammen in dit gebied toebehoort. Vijf Irokese stammen die tot dan toe doorlopend met elkaar in oorlog zijn, stichten rond 1500 een bondgenootschap met als doel samen te werken. Vanaf dat moment beheersen de Irokezen dit deel van Amerika. Later geeft hun steun vaak de doorslag bij de oorlogen tussen de Europese staten. De Irokese liga wordt het voorbeeld voor de Verenigde Staten van Noord-Amerika. Net als de Irokese stammen streven de Amerikaanse staten naar het opheffen van meningsverschillen om samen sterker te staan.

In het zuidoosten leven de Indianen bij de komst van de eerste Europeanen in grote dorpen. De leiders van deze volken worden vereerd als goden. Het machtigste volk is bij de komst van de Europeanen de Natchez.

Later is dit het gebied, als de Natchez zijn uitgeroeid door de Fransen, van de vijf beschaafde stammen: de Cherokee, de Choctaws, de Serninole, de Chickasaws en de Creek.

Andrew Jackson stuurt in 1830 alle Indianen van het oosten naar het gebied ten westen van de Mississippi. Zij krijgen een stuk grond toegewezen dat later voor het grootste gedeelte weer wordt afgenomen. Een aantal Creek vlucht de moerassen van Florida in. Zij worden later bekend onder de naam Seminole. Het lukt het Amerikaanse leger niet de Seminole te verslaan. De Seminole leven nog steeds in de moerassen van Florida.

Ook de Irokezen worden niet gedeporteerd en wonen nog steeds in hun oorspronkelijke gebied. De Irokezen, vooral de Mohawk, specialiseren zich aan het eind van de negentiende eeuw in hoogbouw. Veel van de wolkenkrabbers waar New York om bekend is, zijn mede door Mohawk gebouwd.

De Indianen van de vlakte

Waarschijnlijk waren er niet veel mensen op de prairie voordat het paard het mogelijk maakt om de bizon te jagen. De eerste paarden in dit gebied zijn ontsnapt uit de nederzettingen van de Spanjaarden in het zuidwesten. Voor die tijd trekken kleine groepen rond met honden om de tipi's waar zij in wonen te verplaatsen. Die tipi's zijn veel kleiner dan de tipi's uit de tijd dat vervoer met paarden mogelijk is.

Daarnaast wonen er Indianen in dorpen van aardwoningen langs de Missouri. Belangrijke stammen van de Missouri zijn de Mandan, Hidatsa en Arikara. Zij spelen een belangrijke rol bij de handel tussen Europeanen en de nomaden van de vlakte. Nomaden zijn mensen die leven zonder vaste woon- of verblijfplaats. Door de handel in de dorpen van de Indianen langs de Missouri komen de Indianen van de vlakte aan geweren en andere Europese goederen.

De Indianen in de dorpen zelf profiteren op de lange duur helemaal niet van deze handel. Pokken en andere ziekten brengen in een aantal jaren de vele dorpen van deze Indianen terug tot een handvol dorpen en uiteindelijk tot een dorp. Deze Indianen leven nu in het Fort Berthold-reservaat in Noord Dakota.

Door de komst van het paard krijgen veel stammen in het oosten de kans om aan de oorlogen in hun gebied te ontkomen en de prairie op te gaan. Voorbeelden zijn de Arapaho, de Sioux en de Cheyenne. Dit gebeurt tussen 1650 en 1800. Dankzij het paard kunnen zij zich nu snel en makkelijk verplaatsen. Rijkdom wordt vanaf dat moment gemeten aan de hand van het aantal paarden dat iemand bezit. Om aan paarden te komen zijn er vier mogelijkheden: paarden fokken, paarden verkrijgen door ruilhandel, paarden roven bij nederzettingen van Europeanen of bij andere Indiaanse stammen of wilde paarden vangen. Dit laatste is echter niet erg zinvol. Meestal sterven de wilde paarden in gevangenschap omdat zij niet tegen de rook in de kampen kunnen. Jongemannen kunnen door paarden te roven bij andere stammen roem verwerven. Oorlog is voor de Indianen van de vlakte heel belangrijk. Als trofee nemen krijgers de scalp van hun verslagen tegenstander. De scalp is een stuk van de hoofdhuid met het haar er nog aan. Dit scalperen bestaat in meer delen van Amerika. Lang is er getwijfeld of het scalperen wel een oorspronkelijk Indiaanse gewoonte is en of het niet de Engelsen waren die het hebben ingevoerd. Uit archeologisch onderzoek blijkt echter dat het gebruik dateert van voor de komst van de Europeanen.

Het grootste deel van het jaar leven de leden van een stam in kleine groepen omdat het voor grote groepen mensen niet mogelijk is m de winter gezamenlijk te overleven. Maar in de zomer komen die groepen samen voor een Gemeenschappelijke bizonjacht en voor de zonnedans. De zonnedans is het voornaamste ritueel van de Indianen van de vlakte. Alleen de Comanche kennen het ritueel niet. De zonnedans komt aan zijn naam door de Sioux die de zonnedans 'zij staren naar de zon' noemen.

Tijdens de zonnedans kan iemand een visioen krijgen. Maar de reden om mee te doen is meestal een gelofte. Iemand zegt bijvoorbeeld: 'als het mij lukt om paarden te stelen van mijn vijanden, dan zal ik deze zomer meedoen aan de zonnedans.'

Het belangrijkste aspect van de religie van deze volken is het verwerven van macht over een beschermgeest. Deze beschermgeest kan een jongen verwerven door ongeveer op zijn veertiende een visioen te zoeken. Hij gaat onder begeleiding van een medicijnman naar een top van een berg. Daar vast hij meestal vier dagen en vaak krijgt hij dan een visioen. In dit visioen krijgt hij behalve adviezen vaak ook de kennis om met behulp van een geest zieken te genezen of om bescherming te krijgen tegen vijandelijke kogels.

Tijdens de gemeenschappelijk bizonjacht wordt de voorraad voedsel verzameld die nodig is om de strenge winter te overleven. Het vlees wordt in reepjes gesneden en gedroogd in de zon, daarna wordt het overgoten met vet en fijngestampt met gedroogde bessen. Dit eten heet pemmikan en blijft erg lang goed.

Opgroeien als Kiowa

De Kiowa leven op de grasvlakte in Texas en Oklahoma. Dit is hun land sinds zij verdreven zijn uit het gebied ten zuiden van de zwarte heuvels, vermoedelijk door de Sioux.

Zoals alle nomaden van de vlakte leven zij van de jacht op de bizon en wonen zij in tipi's.

Na zijn geboorte wordt een kind eerst verzorgd door zijn grootmoeder. Zij smeert hem in met gesmolten vet om hem schoon te maken en zijn huid te beschermen. De eerste twee jaar daarna wordt hij vervoerd in een draagwieg.

Wanneer een kind begint te kruipen, proberen zijn ouders te voorkomen dat hij m de buurt van de paarden komt of andere plaatsen waar gevaar zou kunnen dreigen. Het liefst houden zijn ouders hem in de tipi of bij de ingang van de tipi.

Op zijn zesde jaar leert een jongen paardrijden, krijgt hij zijn eerste pijl en boog, en wordt lid van zijn eerste club. 'Het konijnengenootschap' heet die club. De meeste mannen bij de stammen op de vlakte zitten in clubs of genootschappen.

Gedurende de hele zomer organiseren de ouders feestjes voor de jongensclub. De jongens springen op en neer op een been en houden hun handen boven hun hoofd om ze te laten lijken op konijnenoren. De meisjes dansen in een rechte lijn achter de jongens. Na het dansen gaan de kinderen eten. Het overgebleven voedsel gooien ze naar elkaar. Vaak gaan ze naar huis overdekt met een laag van eten.

Een jongen blijft tot zijn twaalfde bij het konijnengenootschap. Daarna gaat hij bij het genootschap dat vaak wordt aangeduid met de 'Herders.' Dit genootschap is het begin van zijn volwassen leven. Samen met andere jongens bewaakt hij de kudden paarden. Hij krijgt zijn eerste paard, als zijn ouders rijk genoeg zijn, en een echte pijl en boog.

Even na zijn twaalfde jaar doet een jongen voor het eerst mee aan de bizonjacht. De gezamenlijke bizonjacht wordt in de zomer gehouden. In de winter is de stam opgedeeld in kleine groepen die verspreid over de prairie leven. In de zomer komen die groepen samen voor de jacht en de zonnedans.

Verkenners zoeken in de omgeving naar de bizons. Als zij een kudde hebben waargenomen, wordt er een dag uitgekozen voor de jacht. Voor sommigen is het moeilijk zich in te houden tot die dag en zij proberen stiekem het kamp te verlaten om als eerste te kunnen jagen. Omdat de hele kudde dan verjaagd kan worden en er dan geen voedsel meer voor de rest van de stam is, is er een soort politie. Deze bewakingsdienst wordt geformeerd door een van de mannengenootschappen. Vaak wisselen de verschillende Genootschappen elkaar af als politie. Niet alleen moeten zij voorkomen dat enkelingen de jacht te vroeg beginnen, ook moeten zij ervoor zorgen dat de jagers, vooral de jongeren die voor het eerst meegaan, rustig blijven. Als de kudde wordt opgeschrikt kan het weken kunnen duren voordat er weer een andere kudde is gevonden. Overtreders worden zwaar gestraft. Een veel voorkomende straf is dat al de spullen van de overtreder worden vernield.

De eerste bizon die een jongen doodt, moet hij in zijn geheel weggeven. De tong, het lekkerste deel van de bizon, wordt door zijn vader uitgesneden en aan de jongen gegeven om aan een ouder echtpaar te geven dat geen familie is. Zo leert hij zich verantwoordelijk te voelen voor alle leden van de stam. De bizons worden ter plekke geslacht door de mannen en vrouwen.

Een volgende belangrijke stap in het leven van een jongen komt op zijn veertiende jaar. Hij moet dan alleen op de top van een heuvel een visioen afsmeken. Een visioen is een boodschap van de bovennatuurlijke wereld. Een geest bezoekt de jongen, meestal in de vorm van een dier, en vertelt hem hoe zijn toekomst zal zijn. Niet iedereen krijgt een visioen, maar voor degenen die er wel een krijgen is het een ervaring die ze hun hele leven bij zal blijven. Meestal is het visioen erg kort, maar er zijn ook mensen die hele avonturen meemaken.

De volgende stap op weg naar de volwassenheid is mee te gaan op rooftocht. De jongen mag niet' vechten, maar moet op de paarden letten en voor het eten zorgen. Een succesvol krijger is een krijger die veel paarden steelt of die bijzonder moedig is. Het is moedig op de vijand af te rijden en hem aan te raken met een zweep of een stok zonder verwond of gedood te worden.

Meisjes zoeken niet naar een visioen, gaan niet bij een genootschap en doen niet mee aan de oorlog. Zij doen mee aan het slachten van de bizon na de jacht en aan een aantal rituelen. Meestal werken meisjes samen in groepjes van drie of vier of doen zij spelletjes.

Als een jongen een beslissing heeft genomen over het meisje dat hij wil trouwen, bezoekt hij haar met zijn ouders. Voor de tipi van de familie van het meisje legt hij geschenken neer en bindt hij een paar paarden vast. Als het meisje met hem wil trouwen houdt de familie de geschenken, anders geven zij ze terug. Wanneer het meisje besluit te trouwen met de jongen, brengen de ouders als tegengeschenken de mooiste dingen die zij bezitten.

Samen met oudere vrouwen maakt zij de tipi voor haar gezin. Daarna geven de oudere vrouwen haar geschenken. Vooral zaken die bij de tipi horen omdat die het bezit van de vrouw zijn.

Bij het ouder worden brengt de man steeds meer tijd thuis door en voert hij steeds minder oorlog. Hij gaat bij een club voor oude mannen. Zijn taak wordt steeds meer het geven van advies aan jongeren dan zelf iets te doen.

Als iemand sterft wordt zijn lijk gelegd op een stellage.

Na iemands dood rouwen de nabestaanden op een zeer heftige manier. Zij verscheuren hun kleren, beschilderen hun gezichten met as, vernietigen bezittingen of geven ze weg en verwonden zich met messen. Na een jaar is het rouwen voorbij. De naam van de dode mag nooit meer genoemd worden.

De Indianen van de Noordwestkust

De Indianen die aan de noordwestkust van Noord-Amerika leven zijn tijdens hun Hoogtijdagen misschien wel de rijkste van alle Indianen. In dit gebied van het zuiden van Alaska tot het noorden van Californië is een overvloed aan vis in zee en in de rivieren en wild in de bossen. De Indianen van de noordwestkust jagen ook op zeehonden en walvissen.

Hier is nooit een tekort aan hout zoals in het zuidwesten en op de vlakte. Deze Indianen staan bekend om hun totempalen en grote planken huizen. Na 1800 neemt de hoeveelheid totem-palen toe omdat de Indianen de beschikking krijgen over ijzeren gereedschap waardoor hout-bewerking wordt vergemakkelijkt.

Voor deze Indianen zijn standsverschillen en bezit erg belangrijk. Iedere Indiaan in dit gebied wordt geacht te streven naar rijkdom. Maar het gaat niet in de eerste plaats om het bezit, maar om de mogelijkheid feesten te geven.

Op die feesten wordt bezit als dekens en kano's uitgedeeld. De ontvanger mag niet weigeren en moet op een gegeven moment met rente terugbetalen. Kan hij dat niet, dan verliest degene die het geschenk ontvangen heeft aan belang.

Deze gebruiken van het geven van geschenken worden met een woord dat uit het Chinook komt potlatch genoemd.

De waarde van bezittingen wordt gemeten in hoeveelheden dekens. Voor vijf dekens moet na een periode van een paar maanden, bij de Kwakiutl, zes dekens worden terugbetaald. Als je die dekens pas na een jaar of langer teruggeeft moeten er tien dekens worden terugbetaald.

Om te laten zien wie er het rijkste is, gaan stamhoofden met elkaar in competitie.

Een dorpshoofd verbrandt dekens, kano's, voedsel of breekt een koperen plaat in stukken. Zo laat hij zijn minachting voor bezit zien. Als zijn rivaal niet in staat is een vergelijkbare hoeveelheid te vernietigen, verliest hij zijn status.

Om aan dekens te komen, kan iemand die arm is zijn naam verpanden. In ruil voor zijn naam krijgt hij dertig dekens. Om zijn naam terug te krijgen moet hij honderd dekens terug betalen.

Het kopen van een koperen plaat die veel waard is, is een uitgebreide ceremonie. Alle voorafgaande keren dat de plaat is verkocht, worden er in betrokken. De koper biedt eerst de laagste prijs waarvoor de plaat is verkocht. De verkoper accepteert, maar zijn stamgenoten zeggen hem dat niet te doen. Hij vraagt om meer dekens. De dorpsgenoten van de verkoper zetten hem steeds weer er toe aan om meer te vragen voor de koperen plaat. De dekens worden in enorme stapels door de jongmannen neergelegd. Uiteindelijk, wanneer alle voorafgaande transacties in de verkoop zijn verwerkt, accepteren de verkoper en zijn dorpsgenoten de prijs.

Door dit soort gebeurtenissen dagen de hoofden van de dorpen elkaar steeds weer uit. Een andere manier is een koperen plaat te breken. Het dorpshoofd breekt een koperen plaat en geeft hem aan een ander dorpshoofd. De ontvanger moet op zijn beurt ook een plaat breken. Hij geeft de twee gebroken platen terug aan de gever. De gever moet dan betalen voor de plaat.

In plaats van de koperen plaat terug te geven kan de ontvanger de plaat ook in zee gooien samen met een plaat van hemzelf nadat hij die ook gebroken heeft. Zo toont hij zich verheven boven de gever omdat hij blijkbaar niet geeft om bezit.

Ook voor deze Indianen betekent de komst van de Europeanen uiteindelijk de ondergang, maar de Indianen van de noordwestkust hebben zich beter aangepast dan anderen. Velen zijn werkzaam als vissers. Hoewel er dikwijls conflicten zijn tussen Indiaanse en Amerikaanse vissers, weten de meeste Indianen redelijk te overleven. Het ergste voor deze Indianen is dat de potlach verboden wordt. De Amerikaanse regering denkt lang dat de potlach verantwoordelijk is voor armoede onder de Indianen, maar in feite is die potlach verantwoordelijk voor rijkdom.

Steeds weer moet een dorp goederen bij elkaar vergaren voor een volgende potlach. Ook al wordt er op die manier veel verspild, iedereen profiteert ook van de gezamenlijke inspanningen. Het gevolg van het verbod op de potlach is een ineenstorting van de Indiaanse cultuur.

De Indianen van Californië en het grote bekken

De Indianen van dit gebied leven geïsoleerd van de rest van Amerika. Hierdoor blijven lange tijd nieuwe invloeden beperkt. Een uitzondering is de cultuur van de Indianen van het plateau, in het noorden van dit gebied. Voor de komst van het paard leven deze Indianen als armoedige wortelgravers. Daarna is hun manier van leven vrijwel niet te onderscheiden van die van de Indianen van de vlakte. De Shoshone, Nez-Perezc, en Yakima worden beroemd om hun paardenkudden.

Het beroemde Apaloosa-paard is door de laatste twee stammen gefokt. Als de bizons in dit gebied zijn uitgeroeid, trekken deze Indianen steeds vaker de Prairie op. De meeste Indianen in dit gebied leiden echter een armoedig bestaan.

De Indianen van Californië zijn tussen 1840 en 1860 bijna allemaal uitgeroeid. Tegenwoordig leven de overgebleven Indianen in dit gebied in reservaten en in Los Angeles.

Het zuidwesten

Het zuidwesten van Noord-Amerika is een gebied dat gekenmerkt wordt door droogte en woestijnvorming. Toch is er een grote variatie aan levenswijzen. De Papago, Pima en Yuma zijn landbouwers die ook geregeld jagen. De Pueblo-Indianen zijn landbouwers. Zij bevloeien de velden door uitgebreide netwerken van irrigatie-kanalen. Regen is voor de Pueblo-Indianen van groot belang. De regendansen komen van de Pueblo-Indianen. Het leven op de Pueblo's wordt beheerst door rituelen die er voor moeten zorgen dat de gewassen steeds weer op zullen komen en de regen ieder jaar weer zal vallen. De Pueblo-Indianen leven in dorpen van gestapelde woningen gemaakt van adobe. Adobe is gedroogde klei. Om de dorpen te beschermen tegen invallers is het alleen mogelijk via ladders de woningen binnen te gaan.

Als de Spanjaarden in 1540 bij de Pueblo's aankomen, onder leiding van Coronado, treffen zij tachtig dorpen aan.

Tegenwoordig zijn er nog dertig over. De bekendste groepen Pueblo-Indianen zijn de Hopi, de Zuni, Taos en Acoma. De Pueblo-Indianen zijn zeer vredelievend. Als een van deze Indianen iemand doodt, moet hij zich langdurig en in afzondering reinigen.

Naast deze landbouwers met een vaste woonplaats zijn er ook nomaden in dit gebied. Dit zijn de Apache en Navaho. De belangrijkste middelen van bestaan zijn voor hen jagen, verzamelen en roof. Met de Pueblo-Indianen wisselen zij handel om landbouwprodukten af met het plunderen van de dorpen. In tegenstelling tot de Pueblo-Indianen zijn deze Indianen zeer oorlogszuchtig. Het lukt de Spanjaarden dan ook niet ze te onderwerpen.

Als dit gebied later onder gezag van de Verenigde Staten komt duurt het tot ongeveer 1890 voor ook de Apache zich onderwerpen.

In het zuidwesten van de Verenigde Staten leeft het grootste deel van de Noord-Amerikaanse Indianen. Het grootste volk zijn de Navaho. De Navaho leren van de Spanjaarden en de Pueblo-Indianen schapen te houden en het bewerken van zilver. Nog altijd zijn de dekens van de Navaho beroemd.

Terug naar boven

eXTReMe Tracker