logo indianen website

Indianen



De Indianen van Latijns Amerika

De Indianen van Midden-Amerika

Midden-Amerika is de plaats waar het eerst in Amerika landbouw wordt bedreven. De oudste sporen van landbouw komen uit vijfduizend. voor Christus. Dat wil zeggen dat landbouw hier zevenduizend jaar oud is.

De Indianen in dit gebied hebben een lange geschiedenis met Europa. Als de Europeanen hier landen in 1519 wordt Midden-Amerika beheerst door het rijk van de Azteken en de stadsstaten van de Maya's. Na hun onderwerping verliest de Indiaanse samenleving zijn samenhang. De leiders van de Indianen worden omgebracht.

Er is geen koning, hofhouding of leger. De Indiaanse adel is vanaf dat moment voor het grootste deel verdwenen.

Alleen in de dorpen blijft de inheemse adel van belang. Tot de Mexicaanse revolutie in de negentiende eeuw worden de Mexicaanse dorpen bestuurd door afstammelingen van de lagere Azteekse adel uit de zestiende eeuw. In deze periode ontstaat een vermenging van de Indiaanse en de Spaanse cultuur. De Spanjaarden leren landbouwprodukten kennen van de Indianen, zoals ma‹s, tabak en tomaten, en de Indianen leren van de Spanjaarden schapen, runderen en tarwe kennen. Een andere verandering is dat Indianen broeken gaan dragen in plaats van lendendoeken. De Indianen zijn belangrijk voor Mexico als belastingbetalers. Zij moeten bijvoorbeeld belasting betalen in de vorm van tarwe en brandhout.

Nadat Mexico onafhankelijk wordt van Spanje gaan de Indiaanse boeren langzaam op in de Spaans-Mexicaanse samenleving. De leden van de Indiaanse dorpsadel worden hun landerijen afgenomen en zij verliezen hun rechten op vooraanstaande functies in het bestuur van de dorpen.

Na de verovering van Mexico gaan de Indianen over tot het katholieke geloof. Hierbij past de missie de tactiek toe waarbij de katholieke heiligen worden gelijkgesteld aan de Indiaanse goden. De vuurgod van de Azteken wordt gelijkgesteld aan de heilige Joseph van de katholieken. Een ander voorbeeld is de katholieke dodenwake. Deze dodenwake hebben de Indianen gecombineerd met hun eigen geloof in de jaarlijkse terugkeer van de overledenen.

Zo kunnen bepaalde elementen van de eigen religie overleven maar alles bij elkaar is het meeste verdwenen.

Midden-Amerika heeft tegenwoordig de grootste Indiaanse bevolking van Amerika

Het Caraibisch gebied

Het Caraibisch gebied beslaat het zuiden van Midden-Amerika, het noordelijk deel van Colombia en van Venezuela en de eilanden in de Caraibische Zee. De Indianen leven, wanneer de Spanjaarden hen ontdekken, van de landbouw en de visvangst. In de loop van tweehonderd jaar zijn alle Indiaanse volken van de eilanden uitgeroeid.

Maar op het vasteland blijft een aantal groepen over. De meeste hebben weinig van hun eigen levenswijze behouden. Een voorbeeld van een groep die zich terugtrok in het hooggebergte en wel veel van zijn levenswijze wist te behouden, zijn de Kogi.

In het noordoosten van Colombia ligt het bergmassief van de Sierra Nevada de Santa Marta aan de kust van de Caraibische zee. Hier leven in de zestiende eeuw Indiaanse volken als de Spanjaarden landen op zoek naar goud.

De belangrijkste groep Indianen in dit gebied zijn dan de Tairona. Zij leven in steden aan de voet van de bergen langs de kust. Tussen de Indianen en de Spanjaarden ontbrandt na de eerste kennismaking een hevige strijd. Het duurt bijna 75 jaar voordat de Spanjaarden de Indianen verslagen hebben, vlak voor het jaar 1600.

Deze Indianen hebben een indrukwekkende cultuur nagelaten van grote tempels, een uitgebreid wegennetwerk en kunst. De Tairona staan bekend om hun beeldhouwwerken van steen, hun pottenbakken, en hun koper- en goudbewerking. Als de Spanjaarden de Tairona voorgoed verslagen hebben, trekken de overgebleven Indianen zich terug in de bergen en de Spanjaarden richten hun aandacht op andere delen van Colombia. Het land van de Tairona blijft verwoest en leeg achter, de steden liggen in puin en het regenwoud herneemt zijn plaats in.

De Kogi

De overgebleven groepjes Indianen die ooit tot de verslagen Tairona hebben behoord, proberen in de bergen ver weg van hun vijanden weer een samenleving op te bouwen. De groep die daar het best in is geslaagd, zijn de Indianen die wij nu kennen onder de naam Kogi. Wat hun relatie met de vroegere Tairona precies is, is onbekend. Zelf verspreiden zij het verhaal dat zij de nazaten van de wegenbouwers van de Tairona zijn. Zij vestigen zich in ontoegankelijke valleien in het gebergte van de Sierra Nevada in kleine dorpen van tien tot een paar dozijn huisjes van ongeveer drie meter in doorsnede. De huisjes zijn meestal gegroepeerd rond een of meer tempels.

Iedere familie bezit verschillende kleine stukjes landbouwgrond op verschillende hoogten. Iedere hoogte biedt andere mogelijkheden voor de verbouw van gewassen. Soms heeft een familie wel vijf boerderijen op verschillende hoogten over een afstand van 2 kilometer. Meestal leven man en vrouw in verschillende hutten wanneer zij op de landbouwgronden zijn. De kinderen slapen bij de vrouw. Een gemiddeld gezin bestaat uit twee kinderen. De opvoeding van de kinderen is er op gericht ze zo snel mogelijk zelfbeheersing aan te leren. Voor zijn eerste jaar moet een kind zindelijk zijn. Kinderen worden gestimuleerd om zo snel mogelijk te leren kruipen, lopen en praten.

Spelen wordt ontmoedigd. De kinderen van de Kogi zijn zowel in hun spraak als in hun lichaamsbewegingen beheerst.

Mannen, vrouwen en kinderen werken samen bij het aanleggen van de velden, bij het planten en bij het wieden van onkruid. De vrouwen oogsten de gewassen. De meeste activiteiten van de Kogi zijn verdeeld tussen man en vrouw.

In de dorpjes komen de bewoners van de boerderijen samen voor feesten en godsdienstige bijeenkomsten, handel, het uitwisselen van nieuwtjes en overleg. Dit doen zij ongeveer twee keer per maand. Meestal zijn die dorpje verlaten. Als zij in de dorpjes zijn, wonen de vrouwen in de hutten en de mannen in de tempels. Zij brengen daar de nacht wakend en cocabladeren kauwend door.

Vergeleken met de cultuur van de Tairona ziet het leven van de Kogi er armoedig en saai uit. Zij kennen bijna geen nijverheid meer. De voorwerpen die zij nog wel maken, zijn zeer eenvoudig. De huizen zijn vervallen. Het uiterlijk van de mensen is onverzorgd. Maar er is nog veel over van de oude cultuur van de Tairona.

Religie

De Kogi noemen zich de oudere broers van de mensheid. Hun samenleving heeft de zware verantwoordelijkheid het heelal te laten voortbestaan. De opeenvolging van gebeurtenissen in de natuur en m de kosmos is afhankelijk van hun gebeden en hun offers. Die offers en gebeden helpen echter alleen als de Kogi ze ook echt menen en als zij een goed leven in het algemeen leiden.

De meeste nederzettingen van de Kogi hebben een hoofdman. Maar hij heeft weinig te zeggen, de macht ligt in handen van priesters. Die priesters worden mamas genoemd. Zij bepalen wat er gebeurt, zij geven adviezen over huwelijksproblemen of waar en wanneer de gewassen geplant moeten worden. Op ieder gebied van het familie of dorpsleven oefenen zij invloed uit.

Deze priesters worden op basis van de voorspellingen van een hoge priester uitgekozen. Zij mogen bij voorkeur niet ouder zijn dan vijf jaar wanneer zij hun familie verlaten en in training gaan voor het priesterschap. De opleiding voor mama duurt 18 jaar. Al die tijd leven zij apart van hun familie heel hoog in het Gebergte. Deze training is er op gericht om de toekomstige mama 'los te maken van de tijd.' Overdag slaapt hij, 's nachts krijgt hij les. Hij mag geen zonlicht meer zien, als hij zich wil baden, moet hij als de maan schijnt zijn hoofd bedekken met een blad.

Er bestaat een paar plaatsen waar de priesters opgeleid worden. Na de eerste negen jaar volgt een selectie. Als de jongen niet voldoet aan de eisen of als hij niet voldoende toegewijd is, wordt hij teruggestuurd.

De leerlingen, de kuivi, krijgen drie maaltijden per dag: een na zonsondergang, een om middernacht en een vlak voor zonsopgang. De eerste negen jaar krijgt de leerling alleen wit voedsel: aardappelen, witte maniok, witte bonen, witte landslakken, witte paddestoelen. In de tweede fase van de opleiding krijgen de leerlingen kleine porties gekookt vlees.

Bijna alle tijd brengen de leerlingen door in de tempel waar zij dansend met zware maskers op hun hoofd de mythen en de namen en daden van goddelijke voorouders uit het hoofd moeten leren. Daarnaast leren zij de rituelen van de Kogi, ceremoniële al, plantkunde, dierkunde, geneeskrachtige spreuken en nog veel meer.

Bijzonder belangrijk zijn de vertellingen die zij leren. Als iemand bij een mama op bezoek komt voor raad moet de mama altijd in staat zijn een verhaal te kunnen vertellen waar de bezoeker een les uit kan trekken.

In tegenstelling tot andere kinderen leert de kuivi om zich zo min mogelijk bij de samenleving betrokken te voelen. Hij staat boven de zorgen van het volk. Andere kinderen leren voedsel te delen, een kuivi leert om zich totaal niet druk te maken om deze zaken. De mama mag zich nergens mee bemoeien maai moet wel altijd een vanzelfsprekende leidende positie in nemen.

Het belangrijkste van de opleiding van de kuivi is echter om in contact te komen met de goddelijke wereld. De middelen om dit doel te bereiken zijn onthouding van voedsel, zonlicht, slaap en seks; de leerlingen moeten daartegenover wel veel mediteren. Door deze zaken kan de priester contact maken met het goddelijke, eventueel met behulp van hallucinaties opwekkende paddestoelen.

Een belangrijke taak van de priesters is het bepalen van het moment waarop de gewassen geplant moeten worden.

Hiervoor moeten zij goed op de hoogte zijn van gebeurtenissen in de ruimte, zoals de stand van de maan. Hieraan kunnen zij aflezen of er regens op komst zijn. Maar dit is niet alles. De Kogi geloven dat zij invloed kunnen uitoefenen op de gebeurtenissen die plaatsvinden in de natuur en in het heelal. Daarom moeten zij 'de tijd vergeten om zo de gebeurtenissen die in de tijd plaats vinden te kunnen beïnvloeden.

Toekomst

De Kogi hebben tot op heden veel van hun eigen cultuur en leefwijze kunnen behouden. Vergeleken met veel andere Indiaanse volken zijn zij de laatste paar honderd jaar redelijk met rust gelaten. Pogingen hen te bekeren tot een of andere vorm van christendom lijken vooralsnog weinig succesvol. Ook de Colombiaanse overheid heeft tot op heden weinig invloed. Toch zijn er bedreigingen. Kleine boeren nemen de laatste twintig jaar steeds meer land van de Sierra Nevada de Santa Marta in beslag ten koste van de Kogi.

Indianen van het Andesgebergte

De Indianen van het Andesgebergte stammen af van de Inca's en van door de Inca's onderworpen volken. Een andere naam voor Indianen uit dit gebied is hoogland-Indianen. Vroeger hadden de Indianen in dit gebied een vorm van terraslandbouw. Terraslandbouw houdt in dat een helling zo wordt bewerkt dat de landbouwgrond vlak wordt. Door het aanleggen van terrassen voorkomen zij erosie. Erosie is het verschijnsel dat vruchtbare grond verdwijnt door wind en regen. Door het aanleggen van terrassen kunnen deze natuurelementen weinig vat krijgen op de landbouwgronden. Na de komst van de Spanjaarden raakt deze vorm van landbouw in verval. De Indianen moeten produceren wat interessant is voor de Europese markt of worden van hun velden gejaagd om voor de Spanjaarden in de zilvermijnen te werken. Later werken velen in de tinmijnen. Veel van die tinmijnen zijn inmiddels failliet. De grond raakt uitgeput door eenzijdige landbouw en erosie van vruchtbare grond. Velen trekken naar de stad in de hoop op een beter leven.

Toch zijn nog altijd veel Indianen in dit gebied landbouwers. Veel produkten die in de Nederlandse winkels zijn te krijgen, komen oorspronkelijk uit Amerika, zoals aardappelen, sperziebonen en tomaten.

Om voor een wintervoorraad te zorgen worden de aardappelen gevriesdroogd. De aardappelen worden in een paar nachten bevroren. Daarna stampen de boeren het water uit de aardappelen. Vervolgens leggen zij de aardappelen in de zon te drogen. De aardappels die overblijven zijn klein en bruin/zwart van kleur. Ze kunnen zeker tien jaar bewaard worden. Chunos heten zulke gevriesdroogde aardappelen.

Net als in de rest van Latijns-Amerika zijn de Indianen in het Andesgebergte katholiek, maar ze hebben meestal nog elementen van hun eigen geloof behouden.

De meeste Indianen spreken naast het Spaans hun eigen taal, zoals bijvoorbeeld het Quecha, de taal van de Inca's.

Indianen van het tropisch regenwoud

Het tropisch regenwoud beslaat vrijwel geheel Guyana, Frans Guyana, Suriname zuidelijk Colombia, zuidelijk Venezuela, en een groot deel van Brazilië en het oosten van Bolivia en Peru. Het gebied wordt doorsneden door de rivier de Amazone en vele zijrivieren. De Indianen van de Amazone worden ook wel laaglandIndianen genoemd. De meeste Indianen in dit gebied leven van de jacht, visvangst en de landbouw of van tijdelijk werk op plantages. Om een stuk land vrij te maken voor landbouw, wordt het afgebrand. Na een aantal jaar is de grond meestal uitgeput en groeien er geen gewassen meer. De Indianen trekken ver en hakken ergens anders een stuk bos om en branden het af. Het stuk grond dat zij hebben achtergelaten kan weer herstellen en bos worden.

Het grootste Indiaanse volk van het tropisch regenwoud zijn de Yanomama. Het zijn er ongeveer twintigduizend. Dat is ongeveer evenveel als een groot dorp in Nederland. Maar voor een Indiaans volk is dit heel veel. De Yanomama leven in dorpen van vijftig tot driehonderd mensen in het noorden van Brazilië en het zuiden van Venezuela. Die dorpen zijn bijna altijd met elkaar in oorlog. Soms overvallen zij elkaar met wapens, maar meestal doen zij dit door vijandelijke geesten op elkaar af te sturen.

Het dorp van de Yanomama is tegelijkertijd hun huis. Lange boomstammen staan in een cirkel om een grote binnenplaats. Die boomstammen houden een houten geraamte overeind. Daarbovenop ligt een dakbedekking van palmbladeren. Zo'n huis heet een Yano. leder gezin heeft een eigen plek. Maar er zijn geen wanden tussen die ruimtes.

Een keer in de vijf a tien jaar moeten de Yanomama verhuizen omdat de velden in de buurt van hun dorp zijn uitgeput. Voor een nieuw dorp zoeken ze een plaats niet te ver van een rivier zodat zij kunnen vissen. Ook moet er wild zijn om te jagen.

Om zes uur in de ochtend komt de Yano tot leven. Eerst staan de langeafstandsjagers op. Hun ontbijt bestaat uit bananen en cassavebrood. Zij jagen meestal in groepjes van twee of drie mannen met enkele honden. Meestal bestaan de groepjes uit broers of schoonbroers. Als een van de groepjes sporen ontdekt van wild, vormen de jagers grotere groepen van zes tot veertien man. Na het vertrek van de jagers ontwaakt de rest van het dorp. Om acht uur is iedereen aan het werk. Sommige mannen blijven in de yano om pijlen te maken. Anderen gaan op jacht naar kleine prooidieren, weer anderen werken op de velden, bouwen een kano of vissen in de rivier. De vrouwen werken op de velden of verzamelen cassavewortels en bananen. Anderen blijven in huis om katoen te spinnen, eten klaar te maken of om voor de kinderen te zorgen. In de velden werken meestal een moeder en haar dochters of schoondochters samen. Tussen vier en zes uur in de middag verzamelen de vrouwen brandhout. Tussen vijf en zes uur keren de jagers terug. Hun vrouwen koken het vlees onmiddellijk. De jager rust uit in de hangmat en krijgt banaan en cassavebrood van zijn vrouw, dochter of zuster.

Bij het vallen van de avond verdelen de vrouwen het gekookte vlees. Jagers eten niet het vlees dat zij gejaagd hebben, maar krijgen vlees van andere jagers. Bij het vlees wordt cassavebrood gegeten. Gedurende het avondeten en tot twee uur daarna is iedereen aan het praten. Meestal zijn de gesprekken vrolijk. Dan gaat iedereen slapen.

In de loop van de twintigste eeuw komen de Yanomama in contact met de Brazilianen. In 1936 ontmoet een groep Mucajai-Yanomama een familie Maku-lndianen die in hun kano terugkeren na handel te hebben gedreven met Brazilianen. De Yanomama lokken hen naar de kant onder het voorwendsel met hen geschenken uit te willen wisselen. De Maku worden beroofd van hun stalen gereedschap.

In 1950 raken de kapmessen en bijlen die de Mucajai hebben verzameld op. In die periode laat een Braziliaanse commissie die de grens tussen Brazilië en Venezuela wil vaststellen vijf kapmessen en een bijl achter in een boom.

Zij worden gevonden en de Mucajai gaan op zoek naar Brazilianen. Maar de schenkers van de metalen voorwerpen komen niet terug. In 1955 gooien missionarissen vishaakjes uit een vliegtuig. Weer gaat een groep mannen op zoek naar Brazilianen, maar zij hebben geen succes. In 1957 proberen zij het nog een keer. Zij vinden nu Brazilianen en krijgen in ruil voor pijlen en kano's twee bijlen, wat messen en kleren. In 1958 volgt nog een succesvolle handelsexpeditie.

Vanaf dit moment gaan missionarissen op zoek naar de Mucajai-Yanomama om ze te bekeren tot het christendom. Vanaf 1958 is er een vaste missiepost in het gebied van de Mucajai.
Sinds 1973 gaat het steeds slechter met de Yanomama. In dat jaar wordt er een weg door hun gebied aangelegd.

Niet veel later trekken er goudzoekers in hun gebied. Alles bij elkaar zijn er zo'n vijfenveertigduizend het gebied van de Yanomama in getrokken. Zij vervuilen de rivieren met kwik dat nodig is voor de goudwinning waardoor de vissen sterven. De Yanomama beginnen vreemden te worden in hun eigen land.

Toch lijkt een aantal zaken voor de Yanomama iets te verbeteren. De regering van Brazilië heeft stappen ondernomen om de goudzoekers uit hun gebied te verwijderen. Anderen ijveren voor een reservaat. In maart 1996 heeft de Braziliaanse overheid besloten de Indiaanse reservaten open te stellen voor kolonisten. Of dit door zal gaan is nog onduidelijk maar de toekomst van de Yanomama lijkt onzeker.

De Indianen van de pampa's

De pampa is de grote grasvlakte in het zuiden van Amerika. Hier groeien bijna geen planten. Er komen weinig dieren voor. De meeste stammen zoeken voor hun levensonderhoud naar wilde zaden en fruit voor voedsel.

Daarnaast jagen zij onder andere op nandoes. Nandoes zijn een soort struisvogels. De Indianen in dit gebied kennen weinig voorwerpen. Een van die voorwerpen is de bola. Dat is een stenen bal vastgemaakt aan het eind van een koord. Als je de hola naar een rennend prooidier gooit, slingert de bola om zijn poten en valt het dier op de grond. Alles bij elkaar lijkt de cultuur van de Indianen in dit gebied erg simpel. De meeste stammen kunnen niet potten bakken. Vlees wordt direct over het vuur gelegd. De bewoners kennen geen kleren, zelfs de Indianen van Vuurland, in het uiterste puntje van ZuidAmerika, vlak bij de Zuidpool zijn vrijwel naakt. Een aantal volken kent ook geen enkele vorm van huizenbouw. Anderen leven m grotten of onder dekking van een paar takkenbossen.

De kolonisten uit Europa hebben aanvankelijk geen belangstelling voor dit gebied. Maar het beetje contact zorgt er wel voor dat ziekten zich snel verspreiden. Bijna alle Indianen in dit gebied zijn uitgestorven. Een kleine groep wordt cowboy na de invoering van het paard. In Zuid-Amerika heten deze cowboys gauchos.

Terug naar boven

eXTReMe Tracker